maandag 3 oktober 2011

Jona's kritiek in Gods licht

Lezen:
-          Jona 3 en 4
-          Zondag 40 van de Catechismus

“Pleeg geen moord” is een duidelijker gebod dan “gij zult niet doden”. Want God gaf zelf vaak genoeg opdracht om te doden. Moord is op persoonlijke grond, met verkeerde motieven. In zondag 40 wordt ook de oorsprong van moord genoemd als zonde: jaloezie, haat, toorn en wraakzucht.
Het is dus een actueel gebod! Het gaat over ons eigen hart. Hoe kijken we naar anderen en naar onszelf? We gaan daarvoor naar Jona.
Jona kreeg een opdracht van God: ga naar Nineve en vertel ze dat de stad verwoest zal worden. Hij reist richting Tarsis. Het verhaal is bekend.
Jona kwam uit het noordelijke deel van het 10-stammenrijk van Israël. Hij moet naar de Assyriërs. Assyrië was het eerste wereldrijk. Er bestonden voor die tijd wel rijken, maar dat waren allemaal enkele landen. Dit was het eerste rijk dat uit meerdere landen bestond. Het rijk had uitbreidingsdrang, dus voerde het oorlog. Assyrië was daarin meedogenloos, spaarde vrouwen en kinderen niet.
Tot die tijd had Israël alleen maar te maken gehad met buurlanden als Edom en Filistea. Kleine buurlandjes, ongeveer gelijke partijen. Nu was dus de dreiging veel groter. Er waren oorlogen met onder andere koning Benhadad van Aram, ook genoemd in het Oude Testament. Dit soort oorlogen kwamen voor om een front te vormen van landen die nog niet bij het Assyrische rijk hoorden, zoals dat nu gebeurt met de westerse landen die een front vormen tegen het meedogenloze terrorisme.

Jona moest naar Nineve. De hoofdstad nota bene van dat grote rijk. (Eigenlijk was het een conglomeraat. Denk aan Rotterdam met alle steden die er omheen en aanvast liggen.) Maar Jona wilde niet. Waarom niet? Hij noemt er zelf de reden voor:
“Ach HEER, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: u bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.” (Jona 4:2)
Dit lijkt niet logisch. Maar als je erover nadenkt wel: als Jona naar Nineve gaat, bekeert de stad zich toch wel, strijkt God over zijn hart, blijft het Assyrische rijk bestaan, en Israël zou met de ellende blijven zitten. Je kunt het je best voorstellen dat Jona er niet heen wil. Het lost toch niets op!

“Laten wij ze maar gewoon doden om ze in te dammen.” Dat lijkt de tegenwoordige politiek ook wel te willen met het terrorisme.
Met de vis geeft God Jona een nieuwe kans, een nieuw leven. Maar heeft Jona nu zijn lesje geleerd? Nee. Wat zegt hij tegen God?
Zij die armzalige afgoden vereren,
verlaten u, trouwe God.
Maar ik zal mijn stem in dank verheffen
en u offers brengen;
mijn geloften los ik in.
Het is de HEER die redt!’ (Jona 2:9-10)
Maar het is juist andersom. Degenen die ‘armzalige afgoden vereren’, de zeelieden op het schip, werden vervuld van bang ontzag voor de HEER (Jona 1:16). Jona daarentegen begint bijna alweer te klagen zodra hij aan land staat. Hij reist niet de stad door, maar slechts voor een derde. Vervolgens lijkt hij op een stoeltje te willen gaan zitten om te kijken hoe de stad ondersteboven gaat.

Wat Jona drijft is de kritiek op God. God moet eens aanpakken! Je komt er toch niet met alleen maar aardig zijn? Het zit heel diep bij Jona: “ik ga liever dood!” (Jona 4:3)
Je ziet Jona stampvoeten van woede. Dit is geen kinderlijke reactie, maar die van een volwassen man. Kunnen we ons voorstellen dat iemand zo ver gaat? Misschien. God zit zo snel in een hokje. Als wij God niet begrijpen, denken wij ook al snel: “met zo’n God wil ik niet verder!”
Maar dan komt er het mooie antwoord van God. De boom, die in één nacht opgroeit, maar vervolgens verdort door en worm. Dan de hete zon, waardoor Jona wordt bevangen.
Jona is opnieuw woedend. Maar nu probeert God hem naar zijn denkbeelden te verplaatsen. God neemt geen wraak, maar heeft geduld. Hij maakt Jona zacht. “Kijk eens met Mijn ogen,” lijkt Hij te willen zeggen.

Israel werd niet weggevoerd vanwege de grootmacht. Dat is Gods punt niet. God wil duidelijk maken dat Israel verkeerd zit.
God vraagt niet van ons dat we ze uitroeien, die terroristen, maar om met Zijn ogen naar hen te kijken. Die mensen daar zijn óók mensen! Hoe kijkt God naar ze?

Jona trekt eerst naar Jafo (Jona 1:3). In het Nieuwe Testament wordt die stad ook één keer genoemd. Daar heet het Joppe. Dorkas wordt er uit de dood opgewekt (Handelingen 9:36-40). Petrus krijgt er het visioen van het laken met de onreine dieren (Handelingen 10:10-16). Voor het eerst wordt er de wereldwijde zendingsopdracht uitgesproken. “Deze Jezus is de Heer van álle mensen.” (Handelingen 10:36)
Het heil is niet alleen voor ons westerlingen. Het Midden-Oosten wordt echter niet gered met onze wapens. Wel met Gods liefde.

Tot slot: de dieren. In Jona 3:8 staat dat ook de dieren niet mogen eten en drinken, dat ook de dieren een boetekleed aan moeten en dat ze God moeten aanroepen. Wat een geblaat, geloei, gemekker en gehinnik moet dat veroorzaakt hebben. Zo wordt Jona een humoristisch boek. Ook in Gods omgang met Jona kan je een glimlach niet onderdrukken als God vraagt of Jona terecht boos is. God zegt het precies zoals het is.
Lachen relativeert. Vooral als het lachen met God is. Maar het maakt je ook zacht, emotioneel. Met Gods vreugde kan je werkelijk zijn liefde geven.

Wat ik het mooiste aan deze preek vond was dat de dominee me echt in Jona verplaatste, mede door die historische achtergrond. Dit is de eerste keer dat ik me zo heb verdiept in de reden van Jona’s tegenzin. Verderop verplaatste de dominee de blik naar Gods gezichtsveld. Zoals God dat bij Jona deed.
Het was voor mij altijd een leuk verhaaltje voor kinderen. Nu zie ik echt in hoe God door deze kleine profeet ook tot mij als mens wil spreken.